Gastblog: Zuidplas als lesje in duurzame ontwikkeling

Het boekje "Thuis in Zuidplas" in het licht van duurzame ontwikkeling. Een artikel van Krijn J. Poppe, econoom en inwoner van Zevenhuizen.

Thuis in Zuidplas is de titel van een boekje dat mijn nieuwe fusiegemeente eerder dit jaar rondstuurde. Vrijdag gebruikte ik het om AIO's in Wageningen uit te leggen dat het begrip 'duurzame ontwikkeling' lastig is. Neem de ontwikkeling van de polder waar ik woon: rond het jaar 1000 was de bevolkingsdruk in Europa blijkbaar zodanig dat het aantrekkelijk werd in te polderen en het houtland Holland van zijn bomen te ontdoen en te gaan boeren op de veengronden. Vanaf de rivieroevers waar al jagers, vissers en landbouwers woonden werden de veenweiden (aanvankelijk ook nog akkerbouwgronden tot ze teveel inklonken en te drassig werden) gecreëerd. Dat lijkt me een duurzame ingreep, tenzij je de natuur in plaats van de mens als criterium neemt of je toen al zorgen maakte over broeikasgassen. Pakweg zo'n 500 jaar later kwam er een tweede forse ingreep: de veenweide werd afgegraven / uitgebaggerd voor het veen. Dat was nodig voor de ontwikkeling van de steden. Ook voor het bakken van IJsselsteentjes langs de Hollandse IJssel, want de steden schreven steeds meer voor dat bouwen in hout vanwege brandgevaar niet meer mocht. 

Ook dat lijkt me wel een duurzame ontwikkeling, ook al ging landbouwgrond verloren. In ieder geval dacht Joost van den Vondel er zo over: "Gelukkig het land, waar 't kind zijn moer verbrand" zo dichtte hij zonder ironie.

De wateroppervlaktes leiden tot goedkoop transport, visvangst en vogelvangst: de jonge aalscholvers en reigers werden als delicatesse tot in Engeland verkocht. Maar de meren werden waterwolven en in 1781 leerden kinderen op school het versje "Turf is vaderlandsche brand, stook toch niet te veel; Van de grond waarop gij woont, is turf een deel". Met koopmansgelden uit o.a. Haarlem waren toen al de nodige polders rond de Zuidplas aangelegd.

Al in 1700 gaven de Staten toestemming de 4500 ha Zuidplas te bedijken, maar het duurde tot 1825 voor Koning Willem I er daadwerkelijk mee liet beginnen. Gefinancieerd door de gelden uit het Indische Cultuurstelsel en de eerste polder die niet door privaat initiatief maar door de Nederlandse staat werd drooggelegd. De Belgische opstand zorgde nog voor vertraging, maar dat betekende weer dat de Zuidplaspolder de eerste Nederlandse polder werd waar naast molens ook stoomgemalen werden ingezet - een voorproefje voor de Haarlemmermeer.
Opnieuw een duurzame ontwikkeling, zo lijkt me, hoewel niet voor de eerste boeren: "Nieuw land wint men voor de derde hand" of "De eerste boer dood, de tweede in nood en de derde zijn brood".

En nu wordt de polder tot waarde gebracht door de akkerbouwgrond te bestemmen voor glastuinbouw, bewoning, industrie, natuurgebied etc. Opnieuw een waardetoename en maatschappelijk gezien m.i. een duurzame ontwikkeling. Hoewel sommige onteigende boeren, en -zo bleek op de borrel vrijdag- ook sommige landbouwwetenschappers daar anders over denken.

 

 

 

Dit artikel verscheen eerder op het weblog van Krijn J. Poppe en werd met toestemming herplaatst. 

 

Drs. Krijn J. Poppe, inwoner van Zevenhuizen schrijft een weblog over de toekomst van de Nederlandse landbouw en het platteland. Gemotiveerd vanuit het werk als econoom, de nevenfuncties als bestuurder, het familie-akkerbouwbedrijfje en de woonomgeving van de moderator, maar als persoonlijke stellingname geheel buiten de verantwoordelijkheid van mijn werkgever - zoals het hoort bij een weblog.


Ook interesse om een gastblog in te sturen? Dat kan natuurlijk. Gebruik daarvoor a.u.b. ons contactformulier.

 


2 reacties, word lid om ook een reactie te plaatsen

Erg interessant artikel Krijn, het zette me weer aan het denken over het begrip duurzaam, bedankt daarvoor.

Even een definitie van "duurzame ontwikkeling" die enigszins gezaghebbend kan worden beschouwd: "ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen, aldus de VN-commissie Brundtland uit 1987. (bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Duurzame_ontwikkeling)

Dan vraag ik me af: is in de geschiedenis van ons Zuidplas landschap de behoefte van de huidige generaties steeds in het licht bezien van de behoefte van toekomstige generaties?

De turf van de Zuidplaspolder is afgegraven om in de korte termijn energie behoefte te voorzien van de steden en de steenovens. Niet om een mooie plas water te maken om te kunnen varen en vissen. Pas later maakte men daar weer het beste van.

De Zuidplas is leeggepompt omdat die een groot en acuut gevaar begon te worden voor Rotterdam, niet omdat er behoefte was aan landbouwgrond.Of vergis ik me?

Terug kijkend kun je zeggen dat de volgende generaties, zoals in het voorbeeld van de boeren, er steeds het beste van gemaakt hebben maar was dat te danken aan de vooruitziende blijk van de voorgaande generaties?

In elk geval, en daar heeft Krijn een goed punt, is het vermogen van de toekomstige Zuidplas-generatie om in hun behoefte te voorzien niet daadwerkelijk aangetast, de polder is nu weer waardevol en bruikbaarder voor bewoning en ondernemingen dan toen het eeuwen geleden nog een hoog gelegen moeras was.

Een lastig begrip, duurzame ontwikkeling. De gevolgen van een ontwikkeling kunnen pas jaren later zichtbaar en voelbaar voor de opvolgende generaties zijn. Is in dit kader de ontwikkeling in Zuidplas bewust gepland of een kwestie van geluk?

Mooie reactie van Jaap. Je scoort een punt door te stellen dat de vervening voor de ontwikkeling van Rotterdam (vermoedelijk) niet gedaan is met het oog op hoe toekomstige generaties van de Zuidplas (water) resp. de Zuidplaspolder (akkerbouw) gebruik zouden kunnen maken. Terwijl dat wel in de Brundtland definitie van "toekomstige generaties" zit.
De Rotterdammers calculeerden (vermoedelijk) eenvoudig dat ze beter af waren met een stad met stenen huizen (van IJsselsteentjes gebakken met de turf als brandstof), een veenplas voor de deur en boter en kaas dat over dat water van wat verder weg moest komen, dan niet te ontwikkelen en te blijven steken bij een stad die af en toe in de brand vloog en waarvoor dan weer duur hout uit de Oostzee geimporteerd moest worden (meelezende historici: corrigeer de fouten).
Veel meer konden ze ook niet doen, mijn Zuidplas voorbeelden geven aan dat het heel moeilijk is om de omstandigheden van toekomstige generaties te kennen, laat staan hun voorkeuren.

Voor economen (als ik) zit hier een belangrijk punt: als de hele samenleving er in totaal beter van wordt (zodat er ook geld is om de verliezers binnen die samenleving te compenseren) dan is er duurzame ontwikkeling. Dat veronderstelt wel dat de schade aan bv. natuur (of overlast op derde partijen) ook in de berekening (de prijs) in aanmerking wordt genomen. Bij milieuschade ontbreekt dat er nogal eens aan.

In de wetenschappelijke literatuur is dat het debat tussen harde en zachte substitutie. Het begrip Duurzame ontwikkeling komt uit de bosbouw en daar is harde subsitutie het feit dat het bos moet overleven wanneer je bomen kapt. Er is dus een instandhoudingsdoelstelling voor het bos. In die visie is er geen mogelijkheid om dat bos te kappen en daarmee grond te verkrijgen voor akkerbouw en zo een hogere inkomensstroom te krijgen [aannemend dat er in de wereld nog bos genoeg is, dit voorbeeld is dus geen pleidooi om alle bos te kappen].

Wie (zoals veel economen) wel substitutie erkend, vind het vaak juist een goede ontwikkeling als een bepaalde vorm van gebruik vervangen wordt door een andere die meer opbrengt: toekomstige generaties hebben dan een beter vermogen in hun eigen behoefte te voorzien. (Als we nu al dat veen in de Zuidplas nog hadden was het misschien wel onverkoopbaar omdat Rotterdam zich nu warmt met aardgas).

Ik vermoed dat deze beschouwing het begrip duurzame ontwikkeling er niet makkelijker op maakt. Maar wel boeiender. Nogmaals dank voor de beschouwing.